Content area
Crime in the emerging adult period
Much of developmental and life course criminological research addresses either the onset and escalation of antisocial behavior in childhood and adolescence, or the desistance from crime during the adult years. Far less attention has been paid to the years in which adolescents first make the transition to adulthood. Over the last 50 years due to increased educational demands this transition period has become prolonged and increasingly deinstitutionalized, resulting in a new life stage denoted as the emerging adult period. This introductory paper describes the ways in which this newly formed life stage between ages 18 and 28 is relevant for criminology, questions our knowledge on criminal career development during this period and explores new research avenues that may contribute to a full-fledged criminology of the emerging adulthood.
Al decennia lang mogen adolescenten zich verheugen in de warme belangstelling van criminologen. Inmiddels klassieke studies, zoals die van de Gluecks (Glueck & Glueck, 1950), het Philadelphia-geboortecohort (Wolfgang e.a., 1972), de Cambridge Youth Study (Farrington, 1995) en de Pittsburgh Youth Study (Loeber e.a., 1991), werden speciaal opgezet om inzicht te bieden in het ontstaan en de ontwikkeling van crimineel gedrag gedurende deze levensfase. Ook Nederlandse longitudinale studies, zoals de Zuid-Holland-studie (Verhulst e.a., 1985), RADAR (Van Lier e.a., 2011) en TRAILS (Huisman e.a., 2008), richtten zich in eerste instantie op tieners.
Naast de vele longitudinale studies hebben ook meer kwalitatief georiënteerde onderzoekers belangstelling getoond voor adolescenten. Zij verdiepten zich in de leefwereld van deze jongeren om de rol van delinquent en crimineel gedrag in hun leven te achterhalen. Dit leverde intrigerende portretten op, zoals bijvoorbeeld de beschrijving van het delinquente leven van de toen 16-jarige 'Stanley' door Clifford Shaw (1930), het leven van de 'corner boys' en 'college boys', zoals beschreven door Whyte (1943), de beschrijvingen van straatbendes in het Chicago van de jaren zestig door Short en Strodtbeck (1965) en het werk van John Hagan en Bill McCarthy (1997) onder straatkinderen in Toronto en Vancouver. Kwalitatief criminologisch onderzoek in Nederland heeft zich met name gefocust op adolescenten uit minderheidsgroepen. Vooral Marokkaanse jongens konden op veel belangstelling van wetenschappers rekenen (Bovenkerk, 1991; Werdmölder, 1990; Van Gemert, 1998; De Jong, 2007).
Ontwikkelingscriminologen die onderzoek doen naar adolescenten buigen zich met name over vragen over het ontstaan van probleemgedrag en de escalatie van probleemgedrag naar delinquent en crimineel gedrag, en houden zich bezig met het zoeken naar factoren die mogelijk voorspellend zijn voor de persistentie van dit criminele gedrag na de adolescentie. Binnen de ontwikkelingscriminologie is zelfrapportage de courante onderzoeksmethode, enerzijds omdat men geïnteresseerd is in een breed spectrum van onaangepast en problematisch gedrag, anderzijds omdat vermoed wordt dat, mede vanwege een coulante houding van politie en justitie tegenover jeugdige regelovertreders, veel van het regelovertredende gedrag van jongeren niet tot officiële registraties leidt. Verklaringen voor delinquent gedrag onder tieners worden met name gezocht in factoren binnen de jongere zelf (bijvoorbeeld temperament, stoornissen in de sociale-informatieverwerking, impulsiviteit of gedragsstoornissen; voor een review, zie Dodge e.a., 2006)), omstandigheden binnen het ouderlijk gezin (zoals verwaarlozing, een harde en inconsequente opvoedingsstijl en gebrek aan ouderlijk toezicht, o.a. Hoeve e.a., 2008) en in de perverterende invloed van leeftijdgenoten (o.a. De Cuyper e.a., 2009; Rubin e.a., 2006). In termen van beleid pleiten veel ontwikkelingscriminologen dan ook voor het vroegtijdig ingrijpen in probleemgezinnen, om bij de kinderen de stap van kwaad tot erger te voorkomen (Loeber & Farrington, 1998).
Tijd laat echter niemand onberoerd en de jongeren die in voornoemde longitudinale studies centraal stonden, zijn inmiddels volwassen geworden - en hun pionierende onderzoekers naderen hun pensioen. Dit jaar beleeft de Pittsburgh Youth Study haar 25-jarige jubileum en vieren de oudste respondenten hun 32ste verjaardag. De jongens uit de Londense arbeidersbuurt die onderwerp zijn van de Cambridge-studie zijn inmiddels de 50 gepasseerd (Farrington e.a., 2006). Ook respondenten van Nederlandse studies worden stilaan volwassen. Criminologen geïnteresseerd in het verklaren van crimineel gedrag onder volwassenen kregen hiermee steeds vaker beschikking over gedetailleerde longitudinale onderzoeksinformatie over hun onderzoekspopulatie (o.a. Donker e.a., 2003).
Robert Sampson en John Laub maakten handig gebruik van de nieuwe onderzoeksmogelijkheden die het verstrijken van de tijd met zich mee bracht en zochten contact met de respondenten van de Glueck-studie; toen pupillen van een tuchtschool, nu mannen op leeftijd, die kunnen terugkijken op een veelal bewogen leven. Sampson en Laub vertaalden ideeën uit de levensloopsociologie, en met name die van Glen Elder (1998), naar een criminologische context, en herformuleerden Travis Hirschi's (1969) klassieke, op jongeren gerichte sociale-controletheorie tot een theorie die toepasbaar is op de criminele ontwikkeling van volwassenen (Sampson & Laub, 1993; Laub & Sampson, 2003). De levensloopcriminologie doet hiermee haar intrede (Donker e.a., 2004; Blokland & Nieuwbeerta, 2010).
Criminele carrières van volwassenen worden doorgaans in kaart gebracht op basis van registerdata en wat langere onderzoeksperioden, en hebben daarmee inzicht in de langetermijnontwikkelingen van het criminele gedrag mogelijk maakt (voor Nederland, zie bijvoorbeeld Blokland e.a., 2004; Van der Geest e.a., 2007). Anders dan ontwikkelingscriminologen, die zich richten op het ontstaan van crimineel gedrag, zijn levensloopcriminologen vooral geïnteresseerd in desistance - het proces van stoppen met crimineel gedrag. Veel levensloopcriminologisch onderzoek richt zich daarom op belangrijke gebeurtenissen in het leven, zoals het vinden van werk, het aangaan van een relatie of het krijgen van kinderen, vanuit het idee dat deze gebeurtenissen mogelijk keerpunten vormen in de volwassen criminele carrière (De Goede e.a., 2011; Van der Geest e.a., 2011; Verbruggen e.a., 2011). (Gevangenis)straf vormt in de ogen van levensloopcriminologen eveneens een potentieel keerpunt, zij het in de praktijk vaak ten slechte (Nieuwbeerta e.a., 2007). In termen van beleid benadrukken levensloopcriminologen de veranderbaarheid van gedrag; ook tijdens het volwassen leven. Als gevolg van de verschillende onderzoeksvragen, databronnen en beleidsaanbevelingen vormen, ondanks pogingen tot theoretische integratie (o.a. Moffitt, 1993; Thornberry & Krohn, 2005), de ontwikkelingscriminologie en levensloopcriminologie vandaag de dag nog steeds goeddeels gescheiden onderzoeksvelden.
Niet alleen in de criminologie, ook in het strafrecht zien we een onderscheid in de bejegening van adolescenten en volwassenen. Het volwassenenstrafrecht is van toepassing op personen vanaf 18 jaar; voor jongeren van 12 tot 18 jaar geldt het jeugdstrafrecht. Bij uitzondering kan het jeugdstrafrecht echter ook gelden voor jongeren van 18 tot 21 jaar. Dat kan zijn wanneer de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het strafbaar feit is begaan daartoe aanleiding geven. Voorts kan een rechter bepalen dat voor jongeren van 16 of 17 jaar het volwassenenstrafrecht geldt. Dat gebeurt wanneer het om een ernstig strafbaar feit gaat (bijvoorbeeld moord) of als de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden van het strafbaar feit daartoe aanleiding geven. Anders dan het volwassenenstrafrecht heeft het jeugdstrafrecht een sterk pedagogisch karakter. In beginsel zijn ouders verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen. In het kader van die opvoeding bepalen ouders wat in het belang is van hun kind, niet het kind zelf. In gevallen waarin ouders in hun opvoedingsplicht tekortschieten, kan de overheid inspringen en maatregelen nemen ter bescherming van de jeugdige. Wanneer er sprake is van strafbare feiten kan hiervoor worden teruggegrepen op het jeugdstrafrecht. Vanuit de beschermingsgedachte ligt binnen het jeugdstrafrecht sterk de nadruk op het opvoedingsbelang (Bartels, 2007). Dit vertaalt zich onder meer in de doorgaans 'mildere' straffen binnen het jeugdstrafrecht. Zo is de periode van jeugddetentie voor personen jonger dan 16 gemaximeerd tot twaalf maanden en kan aan jongeren van 16 en 17 jaar maximaal twee jaar jeugddetentie worden opgelegd. Ook specifieke interventies, zoals de gedragsbeïnvloedende maatregel of nachtdetentie, waarbij een jongere die voorlopig gehecht is overdag naar school gaat, maar zich 's avonds moet melden in de jeugdinrichting, ademen het opvoedende karakter van het jeugdstrafrecht. In het volwassenenstrafrecht spelen vergelding en leedtoevoeging een meer prominente rol.
Een dergelijke harde knip tussen adolescentie en volwassenheid is om verschillende redenen en vanuit diverse disciplines steeds meer onder vuur komen te liggen. Neurobiologisch onderzoek toont aan dat het proces van hersenrijping - en daarmee de capaciteit van jongeren om de langetermijngevolgen van hun eigen gedrag voor zichzelf en voor anderen mee te wegen in de beslissing dit gedrag al of niet te vertonen - niet voltooid is na de adolescentie, maar zich uitstrekt tot het 25ste levensjaar, zo niet verder (zie voor een overzicht o.a. Labouvie-Vief, 2006). Sociologen wijzen erop dat traditionele markers van volwassenheid, zoals het beginnen met werken, trouwen en het krijgen van kinderen, steeds verder worden uitgesteld. Zo steeg in Nederland de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind kregen tussen 1980 en 2009 van 25,6 tot 29,4 jaar (De Graaf, 2011). Psychologen geïnteresseerd in identiteitsontwikkeling van jongeren ten slotte komen tot de conclusie dat personen tussen de 18 en 25 jaar zichzelf weliswaar niet meer zien als adolescent, maar zichzelf tegelijkertijd ook nog niet volwassen voelen, meer 'ergens ertussenin' (Arnett, 2000a). Psycholoog Jeffrey Arnett pleit er daarom voor om de periode tussen 18 en 28 te erkennen als een nieuwe levensfase, die van de emerging adulthood .
Volgens Arnett (2004) onderscheidt de periode van emerging adulthood , hier vertaald als jongvolwassenheid ,
Emerging adulthood is eerder in het Nederlands ook wel vertaald als 'ontluikende volwassenheid' (bijv. Arnett, 2008) of 'opkomende volwassenheid' (Boonmann & Naeije, 2010).
zich op vijf punten van de voorafgaande adolescentie en de navolgende volwassenheid. Ten eerste is de jongvolwassenheid bij uitstek een periode van identiteitsexploratie . Jongvolwassenen maken tussen hun 18de en 28ste belangrijke keuzes over wie ze willen zijn en wat ze willen doen in hun volwassen leven. Het ontdekken van de eigen voorkeuren, competenties en zwakheden en het afstemmen daarvan op de mogelijkheden die zich voordoen, nemen daarom een belangrijke plaats in in hun jongvolwassen leven (Schwartz e.a., 2005). Dit exploratieve karakter van de jongvolwassenheid maakt dat deze periode tevens wordt gekenmerkt door een grote instabiliteit , in leefsituatie, werk en relaties. Voor veel jongvolwassenen geldt dat ze in relatief korte tijd meerdere transities doormaken in verschillende levensloopdomeinen. Soms hebben deze transities een cyclisch karakter, bijvoorbeeld wanneer werkende jongvolwassenen besluiten terug te keren naar de schoolbanken of wanneer jongvolwassenen na een periode zelfstandig te hebben gewoond weer voor kortere of langere tijd bij hun ouders intrekken. Deze instabiliteit heeft niet alleen tot gevolg dat de omstandigheden binnen het leven van een jongvolwassene van het ene op het andere moment sterk kunnen verschillen, het zorgt er ook voor dat er grote variabiliteit ontstaat tussen de levens van jongvolwassenen onderling (Elzinga & Liefbroer, 2007). Hoewel de meeste levenswegen nog steeds naar het 'Rome' van een huis, een baan en een relatie leiden, wijken de levenspaden van jongvolwassenen steeds meer af van de rechte Romaanse Via. Mede door het terugtreden van de samenleving als normstellende rijksbouwmeester is het aantal afsplitsingen, kronkelige zijpaden en culs de sac de laatste decennia sterk toegenomen en is de rol van het individu als regisseur van zijn of haar eigen levensloop sterk vergroot.
Ten derde is de periode tussen het 18de en 28ste jaar een periode waarin jongvolwassenen sterk op zichzelf gericht zijn. Het leven van adolescenten wordt doorgaans geregeerd door verantwoordelijkheden en verplichtingen die samenhangen met school en het ouderlijk gezin. Voor veel volwassenen geldt dat hun werk, hun relatie en hun kinderen sterk van invloed zijn op hun dagelijkse patroon van activiteiten. Anders dan adolescenten genieten jongvolwassenen meer vrijheid van hun ouders en kennen zij doorgaans minder schoolse verplichtingen. Tegelijkertijd zijn veel jongvolwassenen nog niet gebonden aan werk of relatie, wat resulteert in een relatieve vrijheid om hun bezigheden in te delen zoals dat hun zelf goeddunkt (Arnett, 2007b). Deze zelfgerichtheid impliceert overigens niet dat jongvolwassenen daarmee per definitie ook egoïstisch zijn.
Een vierde kenmerk van de jongvolwassenheid is dat jongvolwassenen zelf de periode ervaren als een periode van vlees noch vis: jongvolwassenen voelen zich geen kinderen meer, maar voelen zich ook niet geheel volwassen, zij voelen zich 'ergens ertussenin ' (o.a. Kirkpatrick Johnson e.a., 2007). Dit gevoel leidt ertoe dat jongvolwassenen soms bepaald gedrag achterwege laten - ze zijn immers 'geen kind meer' - maar op andere momenten in het argument 'dat ze nog niet volwassen zijn' rechtvaardiging vinden voor hun gedrag. Jongvolwassenen veroorloven zich zo een relatieve vrijheid ten aanzien van de leeftijdsgebonden regels die de samenleving hun oplegt.
Tot slot wordt de periode van jongvolwassenheid door jongvolwassenen zelf ervaren als een periode van (onbegrensde) mogelijkheden. Ongeacht hun huidige situatie lijken zij optimistisch en verwachten zij dat ze in de toekomst in staat zullen zijn hun doelen en dromen te verwezenlijken (Arnett, 2000b; Schulenberg & Zarrett, 2006).Arnetts claim dat de jongvolwassenheid een nieuwe levensfase vormt, is niet onomstreden. Een deel van deze kritiek sluit aan bij een langlopend debat onder ontwikkelingspsychologen hoe het beste ontwikkeling te conceptualiseren (Arnett e.a., 2011). Sommigen, zoals de bekende Zwitserse ontwikkelingspsycholoog Jean Piaget, kiezen voor een benadering in stadia, waarbij de levensloop van het individu wordt opgedeeld in kwalitatief verschillende ontwikkelingsfasen die elk hun eigen ontwikkelingsdoel kennen. Arnett (2007a) kiest met het onderscheiden van de jongvolwassenheid als aparte levensfase ook voor een stadiabenadering. Tegenstanders van de stadiabenadering stellen dat het onderscheiden van verschillende levensfasen nog geen verklaring biedt voor de waargenomen ontwikkeling in die fasen en dat ongeacht de gekozen indeling er altijd uitzonderingen zijn die de universaliteit van de gekozen indeling ondergraven. Zij pleiten doorgaans voor een procesbenadering, waarbij de nadruk ligt op de mechanismen die onderliggend zijn aan de veranderingen die gedurende de levensloop worden waargenomen (Hendry & Kloep, 2007).
Meer specifiek richt de kritiek zich op de crossculturele houdbaarheid van de jongvolwassenheid als nieuwe levensfase (zie bijvoorbeeld Scabini, 2000 voor alternatieve ontwikkelingspaden). Veel van het empirisch onderzoek waarop Arnett en anderen zich baseren, is van Amerikaanse origine. Dit doet de vraag rijzen in hoeverre het beeld van de jongvolwassene dat door deze auteurs wordt geschetst typerend is voor Noord-Amerika. Strekt deze periode van 'onbegrensde mogelijkheden' zich wel uit buiten de culturele landsgrenzen van de Verenigde Staten? Het antwoord op deze vraag lijkt vooralsnog 'ja' te zijn. Hoewel er ook verschillen worden gevonden, lijkt recent Europees onderzoek het idee van de jongvolwassenheid te ondersteunen (Arnett, 2006). In veel Europese landen is, net als in Noord-Amerika, de gemiddelde leeftijd waarop jongeren belangrijke transities doormaken steeds verder opgeschoven richting eind twintig, begin dertig. Ook in Europa neemt de variabiliteit in levenslopen toe en lijkt steeds minder sprake van een leeftijdsnormatieve, duidelijk door de samenleving voorgeschreven overgang tussen adolescentie en volwassenheid. Zelfs in ontwikkelingslanden vertoont de gemiddelde leeftijd van eerste huwelijk en ouderschap de laatste decennia een stijgende lijn, al beperkt de jongvolwassenheid zich daar vooralsnog tot de urbane middenklasse (Arnett, 2011).
Veel plattelandsbewoners in deze landen kennen zelfs geen 'adolescentie' zoals wij die in postindustriële samenlevingen gewend zijn.
Niet alleen tussen landen, maar ook binnen landen kunnen verschillen optreden in de mate waarin jongeren na hun adolescentie een moratoriumperiode ervaren alvorens zij volwassen sociale rollen op zich nemen. Criticasters van de jongvolwassenheid als nieuwe levensfase wijzen erop dat de luxe van een exploratieve, zelfgerichte, rolloze fase zich wel eens zou kunnen beperken tot jongeren uit de hogere sociale klasse (Côté & Bynner, 2008). Een deel van de verschuiving van belangrijke demografische transities houdt verband met het toegenomen aantal jaren onderwijs dat jongeren genieten na hun middelbare school. Voor laagopgeleide jongeren uit minder gefortuneerde gezinnen is het voortzetten van hun opleiding wellicht geen optie, omdat de financiële middelen hiertoe ontbreken of omdat de overgang van school naar werk door ouders niet wordt gestimuleerd. Hoewel laagopgeleide jongeren belangrijke transities als trouwen en het krijgen van kinderen gemiddeld eerder doormaken dan hun hoger opgeleide leeftijdgenoten, geldt ook voor laagopgeleide jongeren dat zij de eerste vijf tot zes jaar na hun middelbareschooltijd vooral ervaren als een periode waarin geëxperimenteerd kan worden alvorens meer duurzame transities worden gemaakt (Arnett, 2011).
De meeste jongvolwassenen zullen uiteindelijk succesvol zijn in het maken van de transitie naar een volwassen leven, aansluiting vinden op de arbeidsmarkt en een stabiel sociaal netwerk opbouwen. Sommige jongeren moeten hiervoor echter extra hordes nemen als gevolg van hun eigen mogelijkheden, omgeving of verleden. Jongeren met bijvoorbeeld verstandelijke beperkingen of psychische problemen, jongeren die uit huis zijn geplaatst of een zwervend bestaan leiden, en jongeren die tijdens hun jeugd in aanraking zijn gekomen met justitie vormen stuk voor stuk kwetsbare groepen met een verhoogde kans de stap naar volwassenheid niet of niet volledig succesvol te zullen maken (Osgood e.a., 2005). Veel van de jongvolwassenen uit dergelijke kwetsbare groepen zijn bovendien reeds tijdens hun jeugd onderwerp geweest van specifiek overheidsbeleid en hebben te maken gehad met (overheids)instellingen zoals speciaal onderwijs, jeugdzorg en jeugdreclassering (Foster & Gifford, 2005). Met het bereiken van een bepaalde leeftijdsgrens zullen veel van deze jeugdvoorzieningen niet meer voor jongvolwassenen beschikbaar zijn, terwijl dergelijke voorzieningen voor volwassenen ontbreken of een insteek kennen waarbij meer verantwoordelijkheid wordt gelegd bij de persoon zelf. Omdat het merendeel van de kwetsbare jongvolwassenen geen sociaal netwerk heeft waarop zij kunnen terugvallen, vormt het afbouwen van overheidsondersteuning tijdens de jongvolwassenheid voor veel van hen een additionele hindernis naar een volwaardig volwassen leven (Osgood e.a., 2005).
De conceptualisering van jongvolwassenheid als een mogelijk nieuwe en recent ontstane levensfase is om meerdere redenen interessant voor de criminologie. Allereerst is er de link met de actuele discussie over de invoering van een speciaal 'adolescentenstrafrecht' - een in de context van het bovenstaande enigszins verwarrende benaming voor een strafrecht dat zich specifiek richt op de groep 16- tot 23-jarigen. Het door VVD-staatssecretaris Teeven voorgestelde adolescentenstrafrecht voorziet in een verlaging van de leeftijdsgrens van het jeugdstrafrecht van 18 naar 16 jaar, een verhoging van de maximale duur van de jeugddetentie van twee naar vier jaar en maakt het onmogelijk dat zeden- en geweldsmisdrijven gepleegd door jeugdigen nog met een leer- of werkstraf worden bestraft (Teeven, 2011). In principe is het de bedoeling dat in de toekomst de rechter op basis van de persoonlijke ontwikkeling van de jongere kan beslissen welk type strafrecht (jeugdstrafrecht, volwassenenstrafrecht of het nieuwe adolescentenstrafrecht) op hem of haar van toepassing is. Wetenschap en politiek lijken hierin op dit moment recht tegenover elkaar te staan. Waar bijvoorbeeld hoogleraren Bruning, Doreleijers, De Jonge, Van der Laan en anderen op basis van (hersen)onderzoek onder adolescenten en jongvolwassenen pleiten voor een milder regime (Bruning e.a., 2012), lijkt Teeven juist te streven naar maatregelen die vooral een verharding van de aanpak tot gevolg hebben.
Ook voor empirisch onderzoek en theorievorming is de opkomst van de jongvolwassenheid van belang. Veel empirische conclusies en theoretische verklaringen over het ontstaan en het verloop van criminele carrières zijn momenteel gebaseerd op studies die een tijd beslaan waarin van emerging adulthood nog geen sprake was en de overgang van adolescentie naar volwassenheid duidelijker genormeerd en meer uniform was. Voor exploratie was tot halverwege de vorige eeuw amper ruimte. Sekse, etniciteit en sociale klasse bepaalden voor een groot deel de manier waarop de overgang tussen adolescentie en volwassenheid kon worden ingevuld. Voor zover criminele carrières samenhangen en worden beïnvloed door ontwikkelingen en transities in andere levensloopdomeinen, mag worden verwacht dat de toegenomen variabiliteit in levenslopen heeft geresulteerd in een diversificatie van criminele ontwikkelingspaden. Is als gevolg van de toegenomen variatie in levenslopen de standaardleeftijdscriminaliteitscurve steeds minder typisch voor het verloop van individuele criminele carrières? En zal bijvoorbeeld, als gevolg van de toegenomen exploratie met verschillende levensstijlen, het aantal 'late starters', personen die pas na het 18de jaar voor het eerst met de politie in aanraking komen, gaan toenemen?
Sociaal kapitaal resulterend uit stabiele sociale bindingen speelt volgens veel levensloopcriminologische theorieën een centrale rol in het stoppen met criminaliteit (Sampson & Laub, 1995; Moffitt, 1997). In de huidige samenleving kenmerkt de periode tussen 18 en 28 jaar zich echter juist door een grote mate van instabiliteit in sociale rollen, waardoor van accumulatie van sociaal kapitaal nauwelijks sprake lijkt. Jongeren stellen belangrijke transities, zoals trouwen en het krijgen van kinderen, steeds verder uit, wat de vraag doet rijzen of deze transities nog steeds een prominente rol spelen in het proces van stoppen met crimineel gedrag. Zal als gevolg van het steeds verder uitstellen van belangrijke transities de daling in de leeftijdscriminaliteitscurve gaan afvlakken? En als dit niet gebeurt, als het dus niet transities naar volwassen rollen zijn die de daling in crimineel gedrag in deze leeftijdsperiode verklaren, wat dan wel?In vergelijking met adolescenten en volwassenen zijn jongvolwassenen relatief ongebonden en op zichzelf gericht . Toch blijkt uit onderzoek ook dat ouders een belangrijke rol blijven spelen in het leven van hun jongvolwassen kinderen, al was het maar omdat die kinderen steeds langer (financieel) afhankelijk van hen zijn (Schoeni & Ross, 2005; Scabini e.a., 2006 ). Aan de andere kant worden financiële onafhankelijkheid en het zelfstandig zonder hulp van ouders beslissingen kunnen nemen door jongvolwassenen genoemd als kenmerken van het bereiken van een volwassen status (Arnett, 2004). Tanner (2006) beschrijft het proces van volwassen worden als een verschuiving van sociale verhoudingen gebaseerd op afhankelijkheid naar sociale verhoudingen gebaseerd op gelijkheid. Hoewel jongvolwassenen zich meer richten op leeftijdgenoten (vrienden, partners), verdwijnt het ouderlijk gezin niet helemaal uit beeld, maar de relatie met de ouders krijgt wel een andere invulling en betekenis voor de jongvolwassene. De vraag is wat dit betekent voor de relatieve invloed van ouders en leeftijdgenoten op het gedrag van jongvolwassenen, en de mogelijkheden die invloed aan te wenden voor interventies gericht op het ombuigen van ongewenste gedragspatronen.
Jongvolwassenen zijn doorgaans optimistisch over hun toekomstmogelijkheden (Arnett, 2000b), maar zijn zij ook realistisch? Wacht hun allemaal een pot goud aan het einde van hun regenboog of zullen sommigen het met minder moeten doen, en in hoeverre is hun dit dan zelf aan te rekenen? Vooral jongeren die vanuit een kwetsbare positie vertrekken, lopen het risico dat zij uiteindelijk niet aan hun eigen hooggespannen verwachtingen en die van de samenleving kunnen voldoen (zie o.a. Whitbeck & Hoyt, 1999). In welke mate draagt frustratie over de eigen positie bij aan de motivatie om via niet-conventionele paden de gewenste doelen te bereiken? En in hoeverre creëren en nemen jongvolwassenen deel aan subculturen waarbinnen zij wel in staat zijn de door hen gewenste positie te verwerven?
Het huidige themanummer is primair bedoeld om de jongvolwassenheid als nieuw ontstane levensfase onder de aandacht te brengen van de criminologische gemeenschap. De artikelen opgenomen in dit themanummer behandelen elk onderzoeksvragen die specifiek van toepassing zijn op deze leeftijdsperiode.
Het eerste artikel, van P. van der Laan, A. van der Laan, Hoeve, Blom en Lamet , schetst de geschiedenis van het 'adolescentenstrafrecht' en geeft aan de hand van officieel geregistreerde gegevens een overzicht van de wijze waarop politie en justitie omgaan met jongvolwassen daders. Het voorstel van staatssecretaris Teeven blijkt het volgende in een lange lijn van adviezen en aanbevelingen hoe om te gaan met daders van begin 20. De door de auteurs beschreven korte geschiedenis van het adolescentenstrafrecht plaatst het huidige voorstel en de discussie die hieromheen is ontstaan in het juiste historische kader. Dat jongvolwassenen een belangrijke dadergroep vormen, wordt vervolgens geïllustreerd aan de hand van politieregistraties, zelfrapportagegegevens en informatie over justitiële afdoeningen. Tot slot wordt in dit artikel ingegaan op de mate waarin de afgelopen jaren gebruik werd gemaakt van de reeds bestaande mogelijkheden jeugdigen te berechten onder het volwassenenstrafrecht en jongvolwassenen onder het jeugdstrafrecht. Dit biedt de lezer grond om zich een eigen oordeel te vormen over de wenselijkheid en noodzaak van een strafrecht dat zich specifiek richt op jongvolwassenen.
Het artikel van Troonbeeckx, Cops, Op de Beeck, Pleysier en Put gaat, op basis van Vlaamse zelfrapportagedata, in op het verband tussen structurele factoren en 'agency' en delinquentie onder jongvolwassenen. In het kwantitatieve levenslooponderzoek onder volwassenen ligt sterk de nadruk op het doormaken van transities naar volwassen rollen, zoals de overgang van school naar de arbeidsmarkt, trouwen en het krijgen van kinderen. Kwalitatief onderzoek laat echter zien dat niet louter het doormaken van dergelijke transities van belang is, maar ook of iemand ervoor kiest de mogelijkheid die dergelijke transities bieden om te stoppen met crimineel gedrag aan te grijpen. Transities vormen niet meer dan ' hooks for change ' en een actieve rol van jongvolwassenen is nodig om transities keerpunten te laten zijn in hun criminele ontwikkeling (Giordano e.a., 2002). In deze bijdrage doen de auteurs, zich baserend op operationalisaties van het concept 'agency' uit de psychologie, een eerste poging om zowel structurele factoren (opleidingsniveau van de ouders, financiële ruimte) als objectieve transities (schoolverlaten, samenwonen en ouderschap) en 'agency' te vatten in een kwantitatieve analyse.
De bijdrage van Wensveen, Palmen, Blokland en Meeus richt zich op de samenhang tussen werk en delinquentie. Betaald werk wordt traditioneel opgevat als een belangrijke stap naar volwassenheid. Investering in een conventionele arbeidscarrière zou bovendien resulteren in een daling van crimineel gedrag omdat werk een dagbesteding geeft, financiële middelen verschaft en bijdraagt aan de opbouw van conventioneel sociaal kapitaal. Gegeven het exploratieve karakter van de huidige jongvolwassen periode en de daaruit voortvloeiende instabiliteit en wisselende werkverbanden, is echter de vraag of het hebben van werk in deze leeftijdsperiode nog steeds een remmend effect heeft op delinquent gedrag. Veel werkende jongvolwassenen ervaren hun werk bovendien mogelijk nog niet als een eerste stap in hun arbeidscarrière, maar louter als een manier om hun ongebonden jongvolwassen levensstijl te kunnen bekostigen (Arnett, 2004). In hun bijdrage richten deze auteurs zich daarom niet alleen op het hebben van werk an sich , maar ook op de mate waarin jongvolwassenen zich verbonden voelen met het werk en in hoeverre zij vinden dat hun huidige baan perspectief biedt voor de toekomst.
Het artikel van Van den Berg, Bijleveld, Hendriks en Mooi-reçi ten slotte, richt zich ook op de mogelijke effecten van werk, maar doet dit binnen een specifieke groep: jeugdige zedendaders. Jeugdige zedendaders vormen een kwetsbare groep waar het gaat om het maken van een succesvolle transitie naar volwassenheid. Niet alleen kampen velen onder hen met risicoverhogende eigenschappen, zoals psychische en psychiatrische stoornissen, een laag IQ en beperkte sociale vaardigheden, ook beperkingen van overheidswege, zoals de uitsluiting uit bepaalde beroepsgroepen, en een maatschappelijk stigma kunnen voor jeugdige zedendelinquenten de transitie naar volwassenheid bemoeilijken. Op basis van longitudinale gegevens over een groep van bijna 500 mannelijke jeugdige zedendelinquenten worden de criminele carrières van deze groep in kaart gebracht en wordt een beschrijving gegeven van hun transitie naar de arbeidsmarkt. De gebruikte gegevens hebben betrekking op de leeftijdsperiode van 18 tot 32 jaar en beslaan daarmee de gehele jongvolwassen periode. Door middel van random- en fixed-effectmodellen wordt vervolgens nagegaan in hoeverre het hebben van een baan voor jeugdige zedendelinquenten samenhangt met een vermindering van het (officieel geregistreerde) criminele gedrag.
Het onderhavige themanummer biedt niet meer (maar ook niet minder) dan een staalkaart van het huidige Nederlandse en Vlaamse criminologisch onderzoek onder jongvolwassenen. Niet alleen is de omvang van een themanummer beperkt, en is hierdoor het aantal bijdragen gebonden aan een maximum, ook is de redactie afhankelijk van de kopij die zij binnenkrijgt in reactie op de call for papers. Zo ontbreekt in het huidige themanummer trendonderzoek op basis van officiële gegevens. Veel van de aan de periode van de jongvolwassenheid ten grondslag liggende demografische verschuivingen hebben zich voorgedaan in de laatste 40 jaar. Onderzoek dat gebruik maakt van historische gegevens over bijvoorbeeld het aantal 18-28 jarige verdachten dat in aanraking komt met politie en justitie, al of niet gekoppeld aan gegevens over de gemiddelde leeftijd waarop Nederlandse mannen en vrouwen belangrijke transities zoals trouwen en het krijgen van kinderen doormaken, is belangrijk om inzicht te kunnen geven in hoeverre het ontstaan van de jongvolwassen periode van invloed is geweest op de aard en omvang van crimineel gedrag van personen in deze leeftijdscategorie in de afgelopen decennia (zie bijvoorbeeld Trzesniewski & Donnellan, 2010). Verder lijkt de onderzoeksinteresse van kwalitatief criminologisch Nederland zich grotendeels te hebben verlegd van jeugd(groepen) naar georganiseerde misdaad en green criminology . Zelfs gerichte actie van de themaredactie leverde geen kwalitatieve bijdragen voor het onderhavige themanummer op. Dit terwijl internationaal de jongvolwassenheid zich bij uitstek lijkt te lenen voor kwalitatief onderzoek (o.a. Arnett, 2004; Smith e.a., 2011). Tot slot moeten we constateren dat criminologische data die onderzoekers in staat stellen de voor de jongvolwassenheid specifieke kenmerken mee te nemen (exploratie, instabiliteit, zelfgerichtheid, zich ertussenin voelen, optimisme) op dit moment nog maar in beperkte mate beschikbaar zijn. Lopende longitudinale studies kunnen deels in deze behoefte gaan voorzien, maar zullen moeten worden aangevuld met nieuw op te starten projecten die specifiek als doel hebben om de ontwikkeling van deviant gedrag in de jongvolwassenheid te beschrijven en te verklaren.
Criminologisch onderzoek onder jongvolwassenen in Nederland staat, vergeleken met dat onder adolescenten en volwassenen, op dit moment nog in de kinderschoenen. Veel van het in dit themanummer gepresenteerde onderzoek heeft daarom voornamelijk een beschrijvend karakter, of toetst de toepasselijkheid van bestaande ontwikkelings- en levensloopcriminologische theorieën op deze specifieke leeftijdsgroep. De theoretische uitdaging voor de komende periode zal erin gelegen zijn verklaringen te ontwikkelen voor de ontwikkeling van crimineel gedrag in de periode tussen 18 en 28 jaar die rekening houden met de specifieke kenmerken van deze leeftijdsfase. Aanpassing en uitbreiding van bestaande criminologische theorieën ligt voor de hand, maar ook theorieën uit de ontwikkelingspsychologie en levensloopsociologie kunnen hiervoor een inspiratiebron vormen. Empirisch zal gezocht moeten worden naar manieren om die specifieke kenmerken optimaal te operationaliseren. Met het oog op de instabiliteit en zelfgerichtheid van de jongvolwassen periode ligt hiervoor een combinatie van databronnen (zelfrapportage en officieel geregistreerde data) en onderzoeksmethoden (kwalitatief en kwantitatief) voor de hand. Ondertussen zijn beleidsvragen die een beroep doen op een gedegen kennis van de (criminele) ontwikkeling van jongvolwassenen legio en prangend.
Gegeven de gevestigde Nederlandse onderzoekstradities waar het betreft kwantitatief en kwalitatief onderzoek naar crimineel gedrag onder adolescenten en de levenslopen en criminele carrières van volwassen daders, lijkt de uitgangspositie voor het tot wasdom komen van een criminologie van de jongvolwassenheid een gunstige. Wij hopen dat dit themanummer hiertoe een bijdrage levert.
Literatuur
Arnett, J.J. (2000a). Emerging adulthood: a theory of development from the late teens through the twenties. American Psychologist, 55, 569-480.
Arnett, J.J. (2000b). High hopes in a grim world: emerging adults' views of their futures and of 'Generation X'. Youth & Society, 31(3), 267-286.
Arnett, J.J. (2004). Emerging adulthood; the winding road from the late teens through the twenties. Oxford: Oxford University Press.
Arnett, J.J. (2006). Emerging adulthood in Europe: a response to Bynner. Journal of Youth Studies, 9(1), 111-123.
Arnett, J.J. (2007a). Emerging adulthood: what is it and what is it good for? Child Development Perspectives, 1(2), 68-73.
Arnett, J.J. (2007b). Suffering, selfish, slackers? Myth and reality on emerging adults. Journal of Youth and Adolescence, 36, 23-29.
Arnett, J.J. (2008). Ontluikende volwassenheid: wat is het en waar is het goed voor? Kind en Adolescent Review, 15(3), 297-310.
Arnett, J.J. (2011). Emerging adulthood(s): the cultural psychology of a new life stage. In: L.A. Jensen (ed.). Bridging cultural and developmental psychology: new syntheses in theory, research, and policy. Oxford: Oxford University Press, 255-275.
Arnett, J.J., Kloep, M., Hendry, L.B. & Tanner, J.L. (2011). Debating emerging adulthood; stage or process? Oxford: Oxford University Press.
Bartels, J.A.C. (2007). Jeugdstrafrecht. Deventer: Kluwer.
Blokland, A. & Nieuwbeerta, N. (2010). Life course criminology. In: S.G. Shoham & P. Knepper (eds.). International handbook of criminology. Boca Raton: CRC Press/Taylor and Francis, 51-94.
Blokland, A., Nagin, D. & Nieuwbeerta, P. (2004). Criminaliteitspatronen over de levensloop; ontwikkelingen in het criminele gedrag van een cohort Nederlandse veroordeelden. Tijdschrift voor Criminologie, 46, 361-381.
Boonmann, C. & Naeije, S.C. (2010). Opkomende volwassenheid. De psychologische en psychosociale ontwikkeling van jongvolwassenen tussen 18 en 25 jaar. In: T.A.H. Doreleijers, J.M. ten Voorde & M. Moerings (red.). Strafrecht en forensische psychiatrie voor 16- tot 23-jarigen. Den Haag: Boom Juridische uitgevers: 11-18
Bovenkerk, F. (1991). Het vraagstuk van de criminaliteit der Marokkaanse jongens. De Gids, 154(12), 958-978.
Bruning, M., Doreleijers, T., Jonge, de, G., Laan, P. van der, Liefaard, T., Lodewijks, H., Slagter, W. & Weijers, I. (2012). Zorgen naar aanleiding van het voorstel voor invoering van een 'adolescentenstrafrecht' (brief aan de Tweede Kamer).
Côté, J. & Bynner, J.M. (2008). Changes in the transition to adulthood in the UK and Canada: the role of structure and agency in emerging adulthood. Journal of Youth Studies, 11(3), 251-268.
Cuyper, R. de, Weerman, F. & Ruiter, S. (2009). De co-evolutie van vriendschapsrelaties en delinquent gedrag onder Nederlandse jongeren. Mens & Maatschappij, 84, 300-328.
Dodge, K., Coie, J. & Lynam, D. (2006). Aggression and antisocial behavior in youth. In: W. Damon & R. Lerner (Series eds.) & N. Eisenberg (Vol. ed.). Handbook of child psychology: vol. 3. Social, emotional and personality development. New York: Wiley, 719-788.
Donker, A., Kleemans, E., Laan, P. van der & Nieuwbeerta, P. (2004). Ontwikkelings- en levensloopcriminologie in vogelvlucht. Tijdschrift voor Criminologie, 46, 322-329.
Donker, A.G., Smeenk, W.H., Laan, P.H. van der & Verhulst, F.C. (2003). Individual stability of antisocial behavior from childhood to adulthood. Criminology, 41, 593-610.
Elder, G. (1998). The life course as a developmental theory. Child Development, 69(1), 1-12.
Elzinga, C.H. & Liefbroer, A.C. (2007). De-standardization of family-life trajectories of young adults: a cross-national comparison using sequence analysis. European Journal of Population, 23, 225-250.
Farrington, D.P. (1995). Development of offending and antisocial behaviour from childhood: key findings from the Cambridge study in delinquent development. Journal of Child Psychology, 360(6), 929-964.
Farrington, D.P., Coid, J.W., Harnett, L.M., Jolliffe, D., Soteriou, N., Turner, R.E. & West, D.J. (2006). Criminal careers up to age 50 and life success to age 48: new findings from the Cambridge study in delinquent development. London: Home Office.
Foster, E.M. & Gifford, E.J. (2005). The transition to adulthood for youth leaving public systems. In: R.A. Settersen, F.F. Furstenberg & R.G. Rumbaut (eds.). On the frontier of adulthood; theory, research and public policy. Chicago: University of Chicago Press, 501-533.
Geest, V. van der, Bijleveld, C. & Blokland, A. (2007). Ontwikkelingspaden van delinquent gedrag bij risicojongeren. Tijdschrift voor Criminologie, 49(4), 351-369.
Geest, V. van der, Bijleveld, C. & Blokland, A. (2011). The effects of employment on longitudinal trajectories of offending: a follow up in high risk youth from ages 18 to 32. Criminology, 49(4), 1195-1234.
Gemert, F. van (1998). Ieder voor zich. Kansen, cultuur en criminaliteit van Marokkaanse jongens. Amsterdam: Het Spinhuis.
Giordano, P.C., Cernkovich, S.A. & Rudolph, J.L. (2002). Gender, crime, and desistance: toward a theory of cognitive transformation. American Journal of Sociology, 107(4), 990-1064.
Glueck, S. & Glueck, E. (1950). Unraveling juvenile delinquency. New York: Common Wealth Fund.
Goede, S. de, Blokland, A. & Nieuwbeerta, P. (2011). Ouderschap en crimineel gedrag: het effect van het krijgen van een eerste kind op de ontwikkeling van crimineel gedrag. Tijdschrift voor Criminologie, 53(1), 3-22.
Graaf, A. de (2011). Gezinnen in beweging. In: F. Bucx (red.). Gezinsrapport 2011. Een portret van het gezinsleven in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, 82-96.
Hagen, J. & McCarthy, B. (1997) Mean streets: youth crime and homelessness. Cambridge: Cambridge university Press.
Hirschi, T. (1969). Causes of delinquency. Berkeley, CA: University of California Press.
Hendry, L.B. & Kloep, M. (2007) Conceptualizing Emerging Adulthood: Inspecting the Emperor's New Clothes? Child Development Perspectives, 1, 2, 74-79.
Hoeve, M., Blokland, A.A.J., Semon-Dubas, J., Loeber, R., Gerris, J.R.M. & Laan, P. van der (2008). Trajectories of delinquency and parenting styles. Journal of Abnormal Child Psychology, 36(2), 223-235.
Huisman, M., Oldehinkel, A.J., Winter, A. de, Minderaa, R.B., Bildt, A. de, Huizink, A.C., Verhulst, F.C. & Ormel, J. (2008). Cohort profile: the Dutch tracking adolescents individual lives survey; trails. International Journal of Epidemiology, 37(6), 1227-1235.
Jong, J.-D. de (2007). Kapot moeilijk. Een etnografisch onderzoek naar opvallend delinquent groepsgedrag van 'Marokkaanse' jongens. Amsterdam: Aksant.
Kirkpatrick Johnson, M., Berg, J.A. & Sirotzki, T. (2007). Differentiation in self-perceived adulthood: extending the confluence model of subjective age identity. Social Psychology Quarterly, 70(3), 243-261.
Labouvie-Vief, G. (2006). Emerging structures of adult thought. In: J.J. Arnett & J.L. Tanner (eds.). Emerging adults in America; coming of age in the 21st century. Washington, DC: APA Books, 193-217.
Laub, J.H. & Sampson, R.J. (2003). Shared beginnings divergent lives. Delinquent boys to age 70. Cambridge: Harvard University Press.
Lier, P.A.C. van, Frijns, T., Neumann, A., Exter Blokland, E. den, Koot, H.M. & Meeus, W. (2011). The RADAR study: design, description of sample, and validation of cohort assignment. Manuscript submitted for publication.
Loeber, R. & Farrington, D.P. (1998). Never too early, never too late: risk factors and successful interventions for serious and violent juvenile offenders. Studies on Crime and Crime Prevention, 7(1), 7-30.
Loeber, R., Stouthamer-Loeber, M., Kammen, W.B. van & Farrington, D.P. (1991). Initiation, escalation and desistance in juvenile offending and their correlates. Journal of Criminal Law and Criminology, 82, 36-82.
Moffitt, T.E. (1993). Adolescence-limited and life-course-persistent antisocial behavior: a developmental taxonomy. Psychological Review, 100(4), 674-701.
Moffitt, T.E. (1997). Adolescence-limited and life-course-persistent offending: a complementary pair of developmental theories. In: T.P. Thornberry (ed.). Developmental theories of crime and delinquency. New Brunswick: Transaction, 11-54.
Nieuwbeerta, P., Nagin, D.S. & Blokland, A.A.J. (2007). Het meten van effecten van gevangenisstraf op crimineel gedrag in een niet-experimentele studie. Mens en Maatschappij, 82(3), 272-299.
Osgood, D.W., Foster, E.M., Flanagan, C. & Ruth, G.R. (2005) Introduction: Why focus on the transition to adulthood in vulnerable populations? In: Osgood, D.W., Foster, E.M., Flanagan, C. & Ruth, G.R. (red.) On your own without a net; the transition to adulthood for vulnerable populations. Chicago: University of Chocago Press: 1-26.
Rubin, K.H., Bukowski, W. & Parker, J. (2006). Peer interactions, relationships, and groups. In: N. Eisenberg (ed.). Handbook of child psychology: vol. 3. Social, emotional, and personality development. New York: Wiley, 571-645.
Sampson, R.J. & Laub, J.H. (1993). Crime in the making. Pathways and turning points through life. Cambridge: Harvard University Press.
Sampson, R.J. & Laub, J.H. (1995). Understanding variability in lives through time: contributions of life-course criminology. Studies on Crime and Crime Prevention, 4(2), 143-158.
Scabini, E. (2000). New aspects of family relations. In: C. Violato, E. Oddone-Paolucci & M. Genius (eds.). The changing family and child development. Aldershot, UK: Ashgate, 3-24.
Scabini, E., Marta, E. & Lanz, M. (2006). The transition to adulthood and family relations: an intergenerational perspective. Hove: Psychology Press.
Schoeni, R.F. & Ross, K.E. (2005). Marital assistance from families during the transition to adulthood. In: R.A. Settersen, F.F. Furstenberg & R.G. Rumbaut (eds.). On the frontier of adulthood; theory, research and public policy. Chicago: University of Chicago Press, 396-416.
Schulenberg, J.E. & Zarrett, N.R. (2006). Mental health during emerging adulthood: continuity and discontinuity in courses, causes, and functions. In: J.J. Arnett & J.L. Tanner (eds.). Emerging adults in America: coming of age in the 21st century. Washington, DC: APA Books: 135-172.
Schwartz, S.J., Côté, J.E. & Arnett, J.J. (2005). Identity and agency in emerging adulthood: two developmental routes in the individualization process. Youth & Society, 37, 201-229.
Shaw, C.R. (1930) The Jackroller; a delinquent boys own story. Chicago: University of Chicago Press.
Short, J.F. & Strodtbeck, F.L. (1965). Group process and gang delinquency. Chicago: University of Chicago Press.
Smith, C., Christoffersen, K., Davidson, H. & Snell Herzog, P. (2011). Lost in transition; the dark side of emerging adulthood. Oxford: Oxford University Press.
Tanner, J.L. (2006). Recentering during emerging adulthood. In: J.J. Arnett & J.L. Tanner (eds.). Emerging adults in America; coming of age in the 21st century. Washington, DC: APA Books, 193-217.
Teeven, F. (2011). Wetsvoorstel en memorie van toelichting adolescentenstrafrecht. www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/12/16/wetsvoorstel-en-memorie-van-toelichting-adolescentenstrafrech.html.
Thornberry, T.P. & Krohn, M.D. (2005). Applying interactional theory to the explanation of continuity and change in antisocial behavior. In: D.P. Farrington (ed.). Integrated developmental and life-course theories of offending. New Brunswick: Transaction Publishers: 183-209
Trzesniewski, K.H. & Donnellan, M.B. (2010). Rethinking 'generation me': a study of cohort effects from 1976-2006. Perspectives on Psychological Science, 5, 58-75.
Verbruggen, J., Blokland, A.A.J. & Geest, V. van der (2011). Werk, werkduur en criminaliteit; effecten van werk en werkduur op criminaliteit in een hoogrisicogroep mannen en vrouwen van 18 tot 32 jaar. Tijdschrift voor Criminologie, 53(2), 116-139.
Verhulst, F. C., Akkerhuis, G. W., & Althaus, M. (1985). Mental health in Dutch children: I. A cross-cultural comparison. Acta Psychiatrica Scandinavica, 323, 1-108.Werdmölder, H. (1990). Een generatie op drift; de geschiedenis van een Marokkaanse randgroep. Arnhem: Gouda Quint.
Whitbeck, L.B. & Hoyt, D.R. (1999). Nowhere to grow: homeless and runaway adolescents and their families. New York: Aldine de Gruyter.
Whyte, W.F. (1943). Street corner society. The social structure of an Italian slum. Chicago: University of Chicago Press.
Wolfgang, M.E., Figlio, R.M. & Sellin, T. (1972). Delinquency in a birth cohort. Chicago: University of Chicago Press.
Prof. dr. mr. A.A.J. Blokland is senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) en hoogleraar Criminology and Criminal Justice aan de Universiteit Leiden.
Dr. H. Palmen is postdoc bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR).
Dr. M. van San is senior onderzoeker bij RISBO (Erasmus Universiteit) en wetenschappelijk docent aan de faculteit der sociale wetenschappen van de Erasmus Universiteit.
Copyright Boom Uitgevers Den Haag Jun 2012